De huisarts kan u op grond van uw klachten en/of bloeduitslagen verwijzen naar de internist/MDL arts.
Bij het eerste bezoek wordt u op de polikliniek interne geneeskunde ontvangen. De arts neemt een anamnese af. Dit is de voorgeschiedenis en relevante omstandigheden die u als patiënt aan de internist/MDL arts kunt vertellen. Tevens wordt er een lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Wanneer een vermoeden bestaat dat hepatitis de oorzaak is van uw klachten, wordt nader onderzoek verricht in de vorm van laboratoriumonderzoek en eventueel een leverbiopsie.
Een leverbiopsie is een onderzoek om aandoeningen van de lever op te sporen of uit te sluiten. Bij een leverbiopsie neemt de arts een klein stukje weefsel van de lever weg. Dit wordt ook wel een biopt genoemd. Het biopt wordt vervolgens onder de microscoop onderzocht.
Bij het bloedonderzoek wordt er gelet op het algemene bloedbeeld, leverfuncties, virusserologie (mate waarin het virus aanwezig is). Ook kunnen eventuele andere oorzaken uitgesloten worden.
Soms is het nodig aanvullende röntgenonderzoek te doen. Dit kan gaan om:
- echo (beeldvormend onderzoek met ultrasone geluidsgolven)
- CT-scan (onderzoek waarbij met röntgenstraling beelden van uw lichaam worden gemaakt)
- gastroscopie ( een onderzoek met behulp van een flexibele slang (scoop) waarbij de binnenkant van de slokdarm, maag en een stukje van de dunne darm kan worden bekeken en zo nodig kunnen biopten worden genomen)
Wanneer alle uitslagen binnen zijn krijgt u een uitslaggesprek met de internist/MDL arts. Hij bespreekt met u de uitslagen van de onderzoeken, de vermoedelijke diagnose en de behandelmogelijkheden. Uiteindelijk doet de specialist u een voorstel voor de te volgen therapie.
Hepatitis B
Met bloedtesten kan onderzocht worden of iemand een acute, een chronische actieve of een chronische inactieve hepatitis B infectie heeft. Deze testen worden uitgevoerd in het laboratorium. Daar wordt het bloed enerzijds getest op deeltjes van het virus, die in de verschillende stadia van de ziekte aantoonbaar zijn in het bloed. Bovendien wordt ook op de verschillende antistoffen, die het afweersysteem tegen het virus vormt, getest.
Patiënten met een actieve chronische hepatitis B zijn potentieel kandidaat voor behandeling. Bij een inactieve chronische hepatitis B is behandeling niet nodig.
Hepatitis C
Als er antistoffen tegen hepatitis C zijn aangetoond, wordt vervolgens onderzocht of het virus nog steeds aanwezig is of al spontaan door het afweersysteem is opgeruimd. De kans dat het virus nog aanwezig is en er dus sprake is van een actieve infectie is 70 tot 80%.
Als een actieve virusinfectie is aangetoond moet vervolgens worden onderzocht hoe ernstig de ontsteking is en in hoeverre er al beschadiging van de lever is op getreden. Bij lichamelijk
onderzoek wordt de grootte van de lever en de milt beoordeeld en wordt gekeken of er tekenen zijn van slecht functioneren in de lever, zoals geelzucht. Dit onderzoek wordt aangevuld met
een echografie (geluidsfoto) en bloedonderzoek. Als hierbij wordt aangetoond dat er weliswaar hepatitis C virus in het bloed aanwezig is, maar dat er geen ontstekingsactiviteit in de lever
is en er ook geen tekenen van verlittekening van de lever zijn, kan worden besloten om af te wachten. Er is dan sprake van een dragerschap zonder activiteit of van een rustige fase in het
soms grillige ontstekingsbeloop. Om deze reden zal het bloed na enkele maanden opnieuw worden getest. Indien echter hepatitis C virus wordt gevonden en een actieve ontsteking van de lever aanwezig is, met of zonder cirrose van de lever, zal de patiënt geadviseerd worden te starten met een behandeling met antivirale middelen. Bij deze beoordeling zal het soms ook nodig zijn om een stukje weefsel (biopt) uit de lever te nemen om met behulp van een microscoop meer zekerheid te krijgen over de aard en de ernst van de aandoening.
Medicamenteuze therapie
Hepatitis B kan behandeld worden met een korte PEGinterferonkuur (injecties). PEGinterferon stimuleert het afweersysteem en kan een langdurig resultaat geven. PEG interferon kan tijdens de kuur ernstige bijwerkingen geven. De belangrijkste bijwerkingen zijn griepachtige verschijnselen: pijn en ontsteking van de injectieplaats, hoest, duizeligheid, maag-darmklachten, psychische klachten, haaruitval en huiduitslag. De bijwerkingen zijn de eerste 24 uur na het spuiten van de PEGinterferon het sterkst en gedurende de eerste weken van de behandeling. Andere geregistreerde antivirale middelen zijn lamivudine, adevovir, entecavir en telbivudine. Deze zijn gemakkelijk in het gebruik (tabletten) en geven weinig bijwerkingen. Nadeel is dat de behandelduur langdurig is, het afweersysteem niet gestimuleerd wordt en soms resistentie optreedt. Doordat er meerdere middelen beschikbaar zijn kan men bij resistentievorming overschakelen op een ander middel. De arts overlegt met de patiënt of behandeling nodig is en welke van bovengenoemde middelen voor deze patiënt de beste keuze is. Omdat het virus in de meeste gevallen na een medicijnkuur wel in activiteit gedaald of gestopt is, maar niet volledig opgeruimd is, kan men nog wel besmettelijk zijn.
Bij de behandeling van hepatitis C wordt gebruik gemaakt van een combinatie van twee medicijnen: PEGinterferon en ribavirine. PEGinterferon versterkt het eigen afweersysteem. PEGinterferon wordt ééns per week subcutaan (onderhuids), in de bovenbenen of buik, gespoten. De behandeling kan ernstige bijwerkingen geven zoals griepachtige verschijnselen, pijn en ontsteking van de injectieplaats, hoest, duizeligheid, maag-darmklachten, psychische klachten, haaruitval en huiduitslag. De bijwerkingen zijn de eerste 24 uur na het spuiten van de PEGinterferon het sterkst en gedurende de eerste weken van de behandeling. Ribavirine wordt tweemaal daags ingenomen. De belangrijkste bijwerkingen van ribavirine zijn vermoeidheid, spierpijn, grieperig gevoel, hoofdpijn, maag-darmklachten, huidklachten, psychische klachten, slapeloosheid, gewrichtspijn, duizeligheid en een droge mond. De behandeling is zwaar vanwege het feit dat je 2 verschillende medicijnen moet gebruiken en duurt 24 tot 48 weken. Het doel van de behandelingsmethode is het virus te laten verdwijnen en de leverfunctie te verbeteren. De kans op slagen van de therapie is afhankelijk van het genotype van het virus 50 tot 80%.











